1. Maak botsende vertogen in het bestaande cultuurbeleid zichtbaar
De eenheid van cultuurbeleid is een fictie. Beleid is een voortdurend gevecht tussen verschillende (soms tegenstrijdige) vertogen. Daarvan is er slechts een enkele dominant, komen andere niet verder dan een ondergeschikte plek en doen sommige er jaren over om überhaupt opgenomen te worden in het beleid.
Oude vertogen, zoals die over de noodzakelijke autonomie van de kunstenaar en de superioriteit van de klassieke canon, hebben een voorsprong. Ze zijn geaccepteerd en worden breeduit verwoord. Vaak zijn er ruime budgetten mee verbonden. Nieuwe benaderingen staan op achterstand.
Beluister podcast:
Niet dat alles stilstaat. De botsing tussen de verschillende benaderingen van cultuurbeleid wordt echter aan het oog onttrokken. Onder druk van buiten vinden er continu verschuivingen plaats. Sommige beleidsvisies boeten aan overtuigingskracht in, andere worden aantrekkelijker. Ook de inhoud van de bestaande verhalen transformeert in de loop der tijd doordat andere accenten worden gelegd. Kortom, het spel om de hegemonie krijgt telkens een andere inhoud en een nieuwe gedaante. Wij willen graag snappen wat zich afspeelt af in deze arena van conflicterende zienswijzen en belangen.
De meervoudigheid van het cultuurbeleid heeft ook zo haar voordelen: er is ruimte voor vernieuwing (hoe langzaam die vaak ook doorzet), en meer mensen kunnen zich op zijn minst in een onderdeel van cultuurbeleid herkennen.
De strijd gaat niet alleen om de inhoud, maar ook om een schaars goed: geld. Er is altijd te weinig budget om iedereen tevreden te stellen. Na de zoveelste subsidiecarrousel knijpen de winnaars in hun handen, terwijl de verliezers luid om genoegdoening roepen. Beiden doen daarbij – al dan niet terecht – beroep op één of meerdere van de beschikbare vertogen. Door de spreiding van de besluitvorming over verschillende overheden en fondsen wordt doorgaans pas achteraf duidelijk waar de gaten zijn gevallen. Deze vorm van systemische willekeur werd maar eens
De strijd gaat niet alleen om de inhoud, maar ook om een schaars goed: geld. Er is altijd te weinig budget om iedereen tevreden te stellen. Na de zoveelste subsidiecarrousel knijpen de winnaars in hun handen, terwijl de verliezers luid om genoegdoening roepen. Beiden doen daarbij – al dan niet terecht – beroep op één of meerdere van de beschikbare vertogen. Door de spreiding van de besluitvorming over verschillende overheden en fondsen wordt doorgaans pas achteraf duidelijk waar de gaten zijn gevallen. Deze vorm van systemische willekeur werd maar eens schrijnend duidelijk bij de laatste landelijke toekenningsronde van subsidies in 2024. Er werden halsoverkop corrigerende maatregelen genomen.
2. Zorg ervoor dat beleid tijdig, en op een open en duidelijke manier, wordt geformuleerd
Het cultuurbeleid loopt in de regel ruimschoots achter op maatschappelijke veranderingen. Het duurt vaak jaren voordat nieuwe ideeën terug te vinden zijn in beleid, laat staan dat er voldoende budget wordt vrijgemaakt en ondersteuning wordt geboden om ze tot hun recht te laten komen. Een ministerie loopt niet graag voorop. Maar waarom eigenlijk niet?
Onze vraag: kan het systeem zó ingericht worden dat het innovatiever wordt? En: is het mogelijk om het beleidsproces anders vorm te geven zodat opkomende opvattingen en praktijken sneller en ruimhartiger worden gehonoreerd?
Beluister podcast:
Eerst wordt een nieuw vertoog (bijvoorbeeld diversiteit & inclusie) afgedaan als niet relevant. Of: er wordt beweerd dat het afbreuk doet aan de noodzakelijke excellente artistieke kwaliteit. Als de druk vanuit de praktijk te groot wordt, begint een fase van ‘meestribbelen’: zogenaamd meewerken maar de facto tegenwerken. Een voorbeeld hiervan is de gang van zaken rond de zogeheten Code Diversiteit & Inclusie in de culturele sector. Eerst wordt gezegd: ‘we doen het allang zo’. De uitkomst: er verandert weinig tot niets. Vervolgens worden voorzichtig wat projecten en programma’s opgetuigd, doorgaans zonder al te veel budget en het liefst zover mogelijk buiten het bestaande beleid om. Een voorbeeld van een dergelijke halfslachtige beleidsombuiging is het tweejarige, en inmiddels beëindigde, programma Samen Cultuurmaken van het Fonds voor Cultuurparticipatie (met een restant van het budget is nog een kleine regeling tot eind juli 2025 beschikbaar gericht op projecten met jongeren). Met de bovenstaande manoeuvres worden grote veranderingen vaak jaren uitgesteld of afgeremd.
Als de druk om te veranderen aanhoudt, wordt tenslotte gesleuteld aan de criteria voor toelating tot het bestel. Meestal eerst bij sommige van de Rijksfondsen en tenslotte ook in de Basisinfrastructuur. Die bijgestelde criteria worden in eerste instantie voorzichtig geherformuleerd, maar worden nauwelijks gehandhaafd, denk aan Fair Pay. Het kan enkele rondes van vier jaar kosten voordat de nieuwe criteria echt verplichtend zijn en toegepast worden in de praktijk. En dan nog kan er luid protest klinken uit de ‘achterhoede’ van de spelers die buiten het nieuwe beleidsvertoog vallen. Dit overkwam recent het Fonds Podiumkunsten. Dat fonds kreeg te maken met veel rumoer toen het zich voornam om bij de beoordeling van de kwaliteit van de ingediende voorstellen niet uit te gaan van het getoonde werk maar van de toekomstgerichtheid van de plannen.
Veranderingen in landelijk beleid worden vaak voorafgegaan door veranderingen op een lager beleidsniveau, vooral gemeenten. Dat is ook wel logisch. Want lokaal treedt de noodzaak om in te spelen op dat wat in de samenleving leeft eerder aan de oppervlakte. De behoefte aan versterking van de sociale cohesie en aan het op elkaar betrekken van verschillende beleidsvelden is er groter. De samenwerking tussen de culturele en welzijnssector ligt op gemeentelijk niveau nu eenmaal meer voor de hand. Dat komt omdat de uitvoeringspraktijk en de beleidsvorming meer in elkaars verlengde liggen. Ook het draagvlak onder de bevolking is er belangrijker. Een kleine verandering in het subsidiebeleid kan grote gevolgen hebben. De afschaffing of vermindering van subsidies maakt vaak het verschil tussen leven en dood van een instelling, voorziening of vrijwillig initiatief.
De lijntjes tussen politiek en culturele initiatieven zijn er korter. De beleidsvorming zit dichter op de culturele en maatschappelijke praktijk. Dit schept meer ruimte voor een vorm van cultuurbeleid die nauwer aansluit bij wat onder de bevolking en in het culturele veld leeft. Ook de betekenis van populaire cultuur en erfgoed is er groter. De andere kant van de medaille is dat het lokale en regionale beleidsniveau nogal eens wordt gebruikt als alibi om beleidsvernieuwing op landelijk vlak uit te stellen of op een lager pitje te zetten.
Private fondsen (die sneller kunnen reageren op maatschappelijke veranderingen) vervullen vaak een signaalfunctie. Zij anticiperen sneller op toekomstige ontwikkelingen (zie de koerswijziging van het van VSB-fonds met als nieuw criterium voor financiering ‘sociale impact’). Het ministerie van OCW kan zich daardoor permitteren om wat langer passief te blijven. Een andere manier om vernieuwingen niet tot de kern van het landelijk beleid te laten doordringen, zijn landelijke symboolprojecten (bijvoorbeeld het Pont-programma waarin ontwerpers en overheden leren samenwerken). Hoe mooi en waardevol ook, ze remmen de noodzakelijke systeemverandering af.
Een meer algemene zwakte is dat de sector bijzonder goed is in kritiek leveren op het bestaande beleid, maar minder goed in het aandragen van diepgaande alternatieven. Er is in het culturele veld een flinke weerstand tegen bezig zijn met beleid. Artistieke productie wordt als aantrekkelijker gezien. Vernieuwing wordt daardoor langzaam in beleid omgezet.
3. Ontwikkel een duidelijk verhaal over de maatschappelijke betekenis van kunst en cultuur en plaats kunstenaars in het middelpunt
De een gaat zover dat de inzet van kunst en cultuur wordt gezien als oplossing voor velerlei maatschappelijke vraagstukken, terwijl de ander vindt dat dat een onmogelijk, onzinnig en onwenselijk streven is. De discussie over de vergroting van de ‘maatschappelijke impact’ is behoorlijk gepolariseerd, en kent uitgesproken voor- en tegenstanders. Juist in het culturele veld zijn de meningen hier sterk over verdeeld.
Een prangende vraag is: mag de overheid eisen stellen aan kunstenaars en instellingen als het gaat om hun maatschappelijke bijdrage? En als je die mening bent toegedaan: op welke manier kan dat dan het beste gebeuren? Dat wil zeggen: zonder het ‘Thorbecke-principe’ van niet-overheidsinmenging in de cultuur te schenden.
Inmiddels bestaat er in de praktijk een grote variatie aan initiatieven (voor een inkijkje hierin zie onze rubriek Voorbeelden). Ook is er al een behoorlijke hoeveelheid ideeën ontwikkeld over de waarde van kunst en cultuur in de samenleving. Hoe komen we te weten wat wel werkt en wat niet?
Wij vragen ons af: wat is een reële rol van kunst en cultuur bij de aanpak van maatschappelijke vraagstukken? Kunnen we op een genuanceerde manier spreken over de maatschappelijke meerwaarde van kunst en cultuur? We zijn ervan overtuigd dat de cultuursector en kunstenaars hun positie aanmerkelijk kunnen versterken als kunst en cultuur betekenis krijgen voor grotere groepen mensen, juist ook voor hen die tot nu toe denken dat het ‘niets voor hen’ is.
Heel wat culturele instellingen en kunstenaars zijn al drukdoende met een transformatie naar een andere manier van werken met als belangrijk doel een steviger worteling in de maatschappij. Hoe kunnen we de kennis en ervaring die hierover inmiddels zijn opgedaan tot een verhaal maken dat een nieuw perspectief schetst voor de sector en dat bij meer mensen sympathie opwekt dan nu het geval is?
We willen onderzoeken op welke manier landelijk cultuurbeleid hierbij stimulerend kan werken.
Naar ons idee kan de landelijke overheid op dit vlak een drietal verschillende rollen vervullen. We denken aan de rol van:
- Initiator: het op touw zetten van programma’s waarin bestaande kennis en projecten bij elkaar worden gebracht en op een hoger plan worden getild.
- Financier: het verbinden van extra en geoormerkte budgetten aan programma’s en projecten waarin de relatie tussen kunst en maatschappij op een vernieuwende manier gestalte krijgt.
- Verbinder met andere maatschappelijke sectoren: het ministerie van OCW neemt zelf het initiatief om met andere ministeries na te gaan hoe de rol van kunst in de samenleving op verschillende beleidsterreinen verankerd kan worden en hoe dwarsverbindingen kunnen worden gelegd.
Beluister podcast:
4. Werk aan een gelijkwaardige verhouding tussen enerzijds kunstenaars en anderzijds culturele instellingen en fondsen
In het huidige landelijk cultuurbeleid zijn culturele instellingen het begin- en eindpunt. De kunstenaars zelf zijn zelden of nooit het directe aangrijpingspunt voor beleid. Ze worden daarmee in een afhankelijkheidspositie geplaatst. Alleen als het gaat om arbeidsmarkt en ondernemerschap worden kunstenaars rechtstreeks aangesproken, maar bij het inhoudelijk beleid zijn zij niet betrokken. Landelijk beleid is instellingenbeleid, subsidie voor (groepen van) kunstenaars gaat via fondsen. Daarmee is het vraagstuk van de ongelijke verhouding tussen kunstenaars en instellingen weggeorganiseerd. Het zijn de instellingen en de fondsen die kiezen met welke kunstenaars zij werken. En hoe zij dat doen.
Niet dat hier een eenvoudige oplossing voor is. De vraag blijft hoe je kunstenaarsbeleid vormgeeft voor en met kunstenaars zonder aan de artistieke inhoud te raken. Een zekere de-institutionalisering van het beleidsdenken is in elk geval nodig. Al was het alleen maar om de kunstenaars een sterkere positie te verschaffen en hen de invloed te geven die past bij hun professionaliteit. Onze stellige overtuiging is: zonder kunstenaarsbeleid is vernieuwend cultuurbeleid überhaupt onmogelijk.
Dat het belangrijk is om vanuit kunstenaars te denken, bewijst de Raad voor Cultuur met haar toekomstvisie voor een nieuw bestel. In het ‘radicale’ rapport Toegang tot Cultuur wordt niet gekozen voor de makers. Als argument geeft de Raad dat dan nog meer administratieve last voor aanvragen en verantwoording bij hen terecht zou komen. Dat is een slap excuus. De raad probeert in dit advies de kool en de geit te sparen, maar kiest daardoor impliciet voor de instellingen.
Makers, hun maakproces en hun presentatiemogelijkheden, als uitgangspunt nemen, betekent niet dat al het geld naar hen moet gaan en dat instellingen niet nodig zijn. Wel dat je de sector zo inricht dat beiden een open samenwerking aangaan en niet dat kunstenaars worden gezien als individuele leveranciers van kunstproducten. Als kunstenaars dan ook nog op voet van gelijkheid worden betrokken bij het vormgeven van beleid zijn we een flink stap verder. Niemand weet precies hoe dat moet. Het is tijd om daar eens een stevig debat over te voeren.
Beluister podcast:
5. Zoek doelgericht naar meer maatschappelijk draagvlak voor cultuurbeleid en betrek burgers hierbij
Als ergens voortdurend strijd om wordt geleverd, is het wel om de legitimatie van het cultuurbeleid. Bij alle gesprekken over de toekomst van cultuurbeleid is dit een topic, impliciet of expliciet. Dat is niet onlogisch. Meer dan bij de meeste andere investeringen met publiek geld worden vraagtekens gezet bij de noodzaak van overheidssubsidiëring van kunst en cultuur. Met andere woorden: de legitimatie staat voortdurend onder druk.
Voor de oude liberalen waren kunst en cultuur vanzelfsprekend voorwerp van cultuurbeleid, al ging het dan hoofdzakelijk om de klassieke canon. Bij de nieuwe generatie liberalen staat marktwerking voorop en dient subsidie ter correctie van marktfalen. De denkbeelden rond verheffing vanuit een sociaaldemocratische achtergrond lijken verschoven van een collectieve ambitie naar de mogelijkheden voor individuele consumptie. En de huidige legitimatie staat onder druk van makers die zich niet in het huidige systeem herkennen en veel meer uitgaan van wat wel ‘culturele democratie’ wordt genoemd.
Hier gaat het erom dat nieuwe en dagelijkse cultuuruitingen van diverse bevolkingsgroepen erkend worden en de ruimte krijgen (in plaats van het klassieke verheffingsideaal van ‘democratisering van cultuur’: bestaande canonieke kunst toegankelijk maken voor de bevolking). Ook de titel van het advies van de Raad voor Cultuur lijkt impliciet naar deze nieuwerwetse benadering te verwijzen: Toegang tot Cultuur.
Onze vragen: wat zijn de naast elkaar bestaande opvattingen over legitimering meer dan het gunstig stemmen en tevreden houden van verschillende politieke groeperingen? Is het mogelijk om recht te doen aan uiteenlopende opvattingen over legitimering en toch meer maatschappelijk draagvlak te verkrijgen? Is meer inschikkelijkheid geboden aan de kant van de gesettelde culturele elites, om aldus een nieuw evenwicht te vinden tussen de verschillende vertogen? Of moet toch gestreefd worden naar consensus over een nieuw overstijgend idee over het (maatschappelijk) belang van kunst en cultuur?
