
De discussie over autonomie in de kunst blijft doorgaan. Kunst is onderdeel van de samenleving en dus altijd maatschappelijk. Dat zegt nog niets over de autonomie van de kunstenaar: die kan zelf kiezen wat voor kunst hij of zij maakt en voor wie. Rutger Ponzen stelt in de Volkskrant dat de samenleving altijd invloed heeft op kunst en dat die invloed niet kan worden uitgeschakeld: ‘autonome kunst is als een vis op het droge: die leeft niet lang’.
Er zijn ook mensen die vinden dat kunst altijd een maatschappelijk doel moet dienen. In dit manifest van vier samenwerkende Nederlandse gezelschappen worden 22 regels geformuleerd voor de interdisciplinaire theatermaker. Regel 12: ‘The outcome must be urgent and contribute to a better world’. En volgens regels 16 en 17 moeten zowel crew als publiek divers zijn. Regel 18 voegt daar gelukkig een belangrijke relativering aan toe: ‘Your art is a starting point for discussion, not a conclusion. Ask questions, don’t pretend to have the answer’.
Voor wie is het theater eigenlijk?
Op de nieuwjaarsreceptie van een aantal Amsterdamse cultuurinstellingen, midden op de Wallen, pleitte regisseur Eric de Vroedt voor kunst die maatschappelijke tegenstellingen niet ontkent of ontvlucht, maar thematiseert en incorporeert. Theater zou ruimte moeten bieden aan de confrontatie tussen uiteenlopende maatschappelijke groepen en verhalen moeten vertellen over mensen die geworteld zijn in hun streek of wijk en tegelijk deel uitmaken van de geglobaliseerde wereld. Daarbij zoekt De Vroedt naar nieuwe vormen waarin lokale tradities en gemeenschapszin kunnen samengaan met gevestigde kunstvormen.
Zo’n benadering wint aan betekenis wanneer die kunst ook buiten de gevestigde theaters te zien is, juist omdat nog lang niet iedereen zich daar thuis voelt.
Ook theaterregisseur Daria Bukvic heeft zich scherp uitgesproken over de gewijde sfeer van veel schouwburgen. Zij heeft het over hardnekkige bekaktheid, semi-deftige ontvangst en nog veel meer. Zelf voelt zij zich in veel schouwburgen niet op haar gemak. Een hartenkreet die theaterdirecteuren tot zelfreflectie kan aanzetten.
Dat roept meteen een fundamentele vraag op voor schouwburgen: waartoe zijn zij er? Vooral voor de kunst, of juist ook voor de gemeenschap waarin zij geworteld zouden moeten zijn en waarvan een flink deel nooit in het gebouw komt? En hoe kan die gemeenschap worden binnengehaald? In dit Engelse artikel staat die vraag centraal en worden verschillende voorbeelden gegeven, zoals het opzetten van een lokale start-upcommunity in het eigen theatergebouw.
Wie blijft er buiten de deur?
Uit onderzoek is bekend dat zo’n 40% tot 60% van de Nederlandse bevolking de gesubsidieerde kunst bezoekt. Zie de onderste bijlage ‘Van de canon en de mug’ in deze link, relevant voor wie zich met publieksontwikkeling bezighoudt. Voor de rest geldt dat zij niet in aanraking komen met gesubsidieerde kunst, al kan het goed zijn dat deze mensen andere culturele activiteiten ondernemen.
In de Verenigde Staten geldt iets dergelijks. Twee derde van de volwassenen zal niet snel een culturele instelling bezoeken. Voor vier op de tien geldt dat zij culturele instellingen niet beschouwen als iets voor mensen zoals zijzelf. Dat heeft voor een flink deel te maken met de eenzijdige samenstelling van het huidige publiek en aanbod: overwegend hoogopgeleid en wit.
Daarmee komt ook het thema diversiteit en inclusiviteit in beeld.
De kunstwereld reproduceert zichzelf
Het zijn soms simpele statistieken. Een onderzoek naar kunstenaars die vertegenwoordigd zijn in een flink aantal grotere Amerikaanse musea laat zien dat 85% wit is en 87% man. Een onderzoek onder Britse theaterregisseurs maakt duidelijk dat 79% uit de (hogere) middenklasse komt, terwijl deze groep 27% van de bevolking uitmaakt. Tien procent van de regisseurs heeft een arbeidersklasse-achtergrond, tegenover 44% van de gehele bevolking. Verhelderende cijfers, met gevolgen voor de sfeer en het gedrag in galeries en theaters. Het gaat bovendien om veel meer dan alleen het veranderen en inclusiever maken van de programmering.
Ook een ander onderzoek in de Britse creatieve sector laat zien dat toegang tot de sector wordt beperkt door:
- veel onbetaald of zwaar onderbetaald werk, waardoor jongeren met bemiddelde ouders dat langer kunnen volhouden en anderen niet;
- werving via-via, wat voordelig is voor mensen die via hun opvoeding en ouders al een netwerk in de sector hebben opgebouwd;
- selectie van mensen die lijken op degenen die er al werken.
Het resultaat: 95% van de werkers in de creatieve sector in Londen en omgeving heeft een hogere middenklasse-achtergrond; minderheden en mensen uit andere bevolkingsgroepen zijn zwaar ondervertegenwoordigd.
‘Black people don’t go to galleries’ is de titel van een essay waarin pijnlijk duidelijk wordt hoe onuitgesproken culturele waarden worden doorgegeven en anderen uitsluiten. Zo sterk dat de veertienjarige dochter van de auteur een galerie niet in wil omdat ze onmiddellijk voelt dat zij daar niet op haar plek is. Een relaas van een zwarte theatermaakster laat eveneens zien hoe uitsluiting kan werken. Zij wordt neerbuigend behandeld in een theater waar vrienden van haar op het toneel staan. Haar manier van theaterbeleven, met veel gelach en geklap, botst met de gebruikelijke zwijgende, stille en gewijde sfeer. Daarmee sluit de discussie weer aan bij de kritiek van Daria Bukvic.
Kunst als onderdeel van zorg en herstel
Op dit terrein verschijnt steeds meer onderzoek dat een positieve relatie laat zien tussen deelname aan kunstactiviteiten en welzijn en gezondheid. Een tien jaar durend onderzoek onder 30.000 kinderen in de Verenigde Staten toont een positief verband tussen kunstactiviteiten en schoolprestaties, juist bij kinderen uit gezinnen met lage inkomens. Daarnaast is er dit zeer uitgebreide Britse artikel over de positieve effecten van kunstbezoek en sport op gezondheid en welzijn. Uit Finland komt onderzoek waaruit blijkt dat dansen veel positieve sociale effecten heeft voor kinderen.
Ook mensen die zorg verlenen leren veel van kunst. Dat leidt zelfs tot de stelling dat bezuinigen op kunst schadelijk is voor de volksgezondheid. Minstens zo bijzonder zijn de medische studenten aan Stanford die hun studie combineren met een vorm van kunstenaarschap. In dit artikel staan enkele voorbeelden.
Toch zijn kunstprojecten in de zorg nog vrijwel altijd afhankelijk van culturele subsidies. Voor structurele verankering is het nodig dat de zorgsector, met name de zorgverzekeraars, zich hiervoor meer gaat inspannen. Zolang het bij incidentele projecten blijft, verandert er weinig aan die afhankelijkheid.
Dat vraagt ook wat van de opleidingen, zowel in de kunst als in het sociaal werk en de zorg. Rina Visser schreef een proefschrift over verschillende soorten community art en geeft les aan opleidingen voor sociaal werk. Vandaar ook het pleidooi om kunst- en sociale opleidingen meer te laten samenwerken.
In Engeland bracht de Arts Council een publicatie uit met een update van onderzoek naar de relatie tussen kunst, welzijn en gezondheid. Ook hier lijken de bewijzen voor een positief verband tussen kunst, gezondheid en welzijn zich op te stapelen.
Kunst achter de gevangenismuren
Deze publicatie bevat ook een stevig hoofdstuk over de betekenis van kunst voor justitie. Bij veel activiteiten voor gevangenen is het uiteindelijke doel het voorkomen van recidive, oftewel terugval. Dat is geen eenvoudige opgave, omdat veel factoren van invloed zijn: het strakke gevangenisregime zelf, waarin weinig ruimte is voor het individu; de eigen geschiedenis en de gevolgen daarvan voor zelfvertrouwen en gedrag; en de omgeving waarin mensen na hun detentie terechtkomen, zoals huisvesting en werk.
Interessant is dat wordt geprobeerd een theory of change op te zetten waarin duidelijk wordt wat kunst specifiek kan bijdragen en op welke manier dat gebeurt. Verschillende vormen van kunst hebben een positieve invloed op eigenwaarde en zelfvertrouwen, op autonomie, op het gevoel weer een individu te zijn en op het vermogen zelf een prestatie te leveren. Allemaal vormen van sociaal en cultureel kapitaal die weer een voorwaarde vormen voor gedragsverandering na de gevangenis.
Ook hier blijkt hoe moeilijk het is om kwantitatief onderzoek op te zetten, met name omdat er geen direct verband bestaat tussen kunst en verminderde recidive. Daarin spelen veel andere factoren een rol. Degelijk uitgevoerd kwalitatief onderzoek levert echter veel argumenten op dat kunst goed werkt. Er is ook aandacht voor de vraag waarom kunst werkt, en dat heeft veel te maken met de kwaliteiten van kunstenaars. Zij zijn flexibel ingesteld en benaderen gevangenisbewoners als gelijkwaardigen, waardoor deze meer openstaan voor het leren van nieuwe dingen. Kunstenaars weten bovendien een veilige sfeer te creëren waarin ruimte is om te experimenteren met het eigen gedrag. Ruimte die er in het dagelijkse gevangenisleven niet is. Dat alleen al is een goed argument voor het inzetten van kunstenaars in het gevangeniswezen.
Een voorbeeld uit Amerika laat zien hoe een acteerprogramma in een gevangenis leidt tot het besef dat gevangenen eigenlijk de hele dag acteren en een rol spelen, maar juist tijdens het theaterprogramma die rol kunnen afleggen en zich kwetsbaar durven opstellen.
Van anekdote naar bewijs
Overal waar kunstenaars actief zijn, wordt tegenwoordig om bewijs gevraagd van het effect van hun werk. Noch kunstenaars, noch culturele instellingen zijn hiervoor opgeleid of beschikken over de benodigde vaardigheden. Veelal blijft het steken in wat cijfers en anekdotes. In Engeland is hiermee ervaring opgedaan. Daar is onlangs een gids verschenen die culturele instellingen helpt om, stap voor stap en passend bij hun eigen situatie, bewijs te verzamelen.
Het begint bij de basis: wat is bewijs, welke verschillende soorten zijn er en wat kan ermee worden aangetoond?
Ook hier komt de theory of change om de hoek kijken: via welke stappen heeft kunst een gewenst effect? Zeker voor kunst buiten de kunstsector kan het nuttig zijn hiernaar te kijken; de bewijslast ligt in eerste instantie bij de kunstsector.
Een verwante vraag is wat een museum daadwerkelijk kan bijdragen aan gemeenschapsvorming. Een museum in Californië beschrijft de lange zoektocht naar een ‘social impact statement’, samen met buurtbewoners, experts en verschillende stakeholders. Een social impact statement beschrijft wat de unieke positieve bijdrage is van een instelling aan de buurt of stad. Uiteindelijk komt het tot de conclusie dat de eigen bijdrage misschien niet zoveel kan betekenen voor sociale ongelijkheid op zichzelf, maar er vooral uit kan bestaan sociale fragmentatie tegen te gaan en mensen bij elkaar te brengen op een manier waarop zij zich veilig voelen en zich met elkaar verbinden.
Leren door kunst
Al jaren wordt beweerd dat kunstbeoefening kinderen beter doet leren in andere vakken. Dat verschijnsel heet transfer: vaardigheden die via kunstbeoefening worden geleerd, worden ook op andere terreinen ingezet, zoals bij taal en rekenen. Op een onderzoeksconferentie van jaren geleden werd nog gesteld dat daarvoor geen bewijs was. Inmiddels lijkt die stelling ondergraven door nieuw onderzoek.
In een artikel in The New York Times wordt onderzoek aangehaald dat erop wijst dat het gebruik van methoden uit de kunst juist minder goede leerlingen helpt om meer te onthouden en betere resultaten te behalen. Een mogelijke verklaring is dat het visueel maken van leerstof en het onthouden ervan via ritme en/of melodie kinderen helpt die op de traditionele manier minder gemakkelijk leren.
In het artikel worden drie manieren genoemd om kunst een plek te geven in het onderwijs: kinderen zelf verschillende kunstdisciplines laten beoefenen, hen via kunstenaars op school of museumbezoek met kunst in aanraking brengen, en kunst verbinden met andere vakken.

