
Foto: Joost Heinsius. Vlnr Cor Wijn, Jan Jaap Knol, Johan Kolsteeg
Wordt het nog wat met het Nederlandse cultuurbestel, of blijven we aanmodderen? Zonder die vraag letterlijk te stellen, stond zij centraal bij de dubbele boekpresentatie die de Boekmanstichting op 16 juni organiseerde in TivoliVredenburg.
Het ene boek, Afstemming is alles van Cor Wijn, behandelt het bestaande cultuurbestel en is een zeer uitgebreide gids voor beleidsambtenaren en bestuurders, vooral op lokaal niveau. Tussendoor doet Wijn ook stevige en soms stekelige voorstellen voor verandering van het bestel.
Het andere boek is Cultural Democracy, Policy, Practice and Education, een bundel onder redactie van Johan Kolsteeg, Jeroen Boomgaard en Barend van Heusden. De boodschap daarvan is radicaler: het moet fundamenteel anders. Ook al weten we nog niet precies hoe.
Dat alles tegen de achtergrond van het begin 2024 gepresenteerde advies Toegang tot Cultuur van de Raad voor Cultuur, waarin wordt gepleit voor een ingrijpende herinrichting van het cultuurbestel. Regionale fondsen moeten dichter bij burgers komen te staan, het landelijke fonds kleiner worden en minder nadruk leggen op afzonderlijke disciplines, en de kwaliteitscriteria moeten anders worden ingevuld.
Dat advies kwam op tijd om met ingang van 2029 tot een nieuw bestel te kunnen leiden. Sindsdien zijn er echter twee regeringswisselingen geweest. Bovendien heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) nog altijd niet officieel op het advies gereageerd. Dat is veelzeggend. Een werkelijk nieuw bestel per 2029 lijkt daarmee inmiddels uitgesloten. Hooguit zijn nog enkele cosmetische aanpassingen mogelijk; voor een fundamentele herziening is het eenvoudigweg te laat.
Verzet tegen verandering
Tegen het advies bestaat bovendien aanzienlijk verzet. Rijkscultuurfondsen voelen er weinig voor om te regionaliseren en minder disciplinegericht te gaan werken, mede omdat daardoor hun positie verandert. Ook in het bestaande veld van cultuurinstellingen leeft de vrees dat subsidies onder druk komen te staan wanneer de beschikbare middelen met meer initiatieven uit de regio moeten worden gedeeld. Daarbij klinkt geregeld het argument dat de artistieke kwaliteit buiten de gevestigde instellingen lager zou zijn.
Mogelijk speelt ook bij OCW zelf terughoudendheid mee, omdat het ministerie volgens deze voorstellen minder directe invloed zou krijgen op de besteding van cultuurbudgetten.
Intussen heeft de cultuursector wel een aantrekkelijk bot toegeworpen gekregen, waarin gretig wordt gehapt: het wordt mogelijk om voor acht jaar subsidie te ontvangen, een verdubbeling van de huidige maximale termijn.
Opvallend is dat de discussie over de toekomst van het cultuurbestel nauwelijks in het openbaar wordt gevoerd. Ook tijdens de bijeenkomst klonk de verzuchting dat er te weinig plekken zijn waar uiteenlopende visies op de inrichting van het bestel werkelijk met elkaar worden geconfronteerd.
Terecht werd erop gewezen dat het uiteindelijk gaat om de verdeling van schaarse middelen. Hoewel Nederland niet met grote directe bezuinigingen op cultuur te maken heeft, vindt al jaren indirecte bezuiniging plaats doordat prijscompensatie achterblijft. Wat in de sector veel minder wordt aangekaart, is dat het aantal kunstenaars nog altijd groeit. In combinatie met de sterke toename van het aantal subsidieaanvragen zet dat de beschikbare middelen verder onder druk.
Democratisering van cultuur?
Cultural democracy kent vele betekenissen, maar twee springen eruit: democratisering van de besluitvorming over wie welk geld krijgt, en ruimte maken voor een cultureel grondrecht – het recht van mensen om hun eigen cultuur te beleven en tot uitdrukking te brengen.
Het advies van de Raad voor Cultuur probeert aan beide tegemoet te komen. Regionale fondsen moeten de besluitvorming dichter bij burgers brengen, terwijl andere toekenningscriteria meer ruimte moeten scheppen voor kunst- en cultuurvormen die binnen het huidige bestel minder gemakkelijk voor subsidie in aanmerking komen.
Beide vormen van cultural democracy komen bijvoorbeeld aan bod in het Nederlandse UNESCO-rapport Onbetaalbaar, over het werken met en financieren van minder zichtbare en niet-formeel georganiseerde gemeenschappen rond immaterieel erfgoed. Ook het Amsterdams Fonds voor de Kunst en de gemeente Amsterdam zetten nadrukkelijk in op veelstemmige cultuuruitingen in een superdiverse stad.
Op landelijk niveau lijken de behoudende krachten voorlopig sterker dan de vernieuwende. Dat is betekenisvol. Uiteindelijk gaat het ook om de bescherming van bestaande posities en belangen, waardoor radicalere vernieuwing gemakkelijk wordt afgeremd.
Dat wordt zelden hardop gezegd. Zelfs niet tijdens deze overigens zeer nuttige bijeenkomst van de Boekmanstichting.

