
In de meerjarenbrief 2023–2025 De Kracht van Creativiteit van staatssecretaris Gunay Uslu lijkt een verandering te worden ingezet. Onder de kop Inzet van creativiteit bij maatschappelijke transities wijdt zij een hele paragraaf aan de maatschappelijke betekenis van creativiteit. Met als sleutelzin: “We benutten de kracht van creativiteit bij deze veranderingen nog te weinig”. Vervolgens worden drie activiteiten genoemd. Eén daarvan is echt nieuw: een programma voor een betere en bredere inzet van ontwerpers bij complexe opgaven, met een budget van 3 miljoen euro per jaar vanaf 2023.
Geen tegenstelling tussen intrinsieke en maatschappelijke waarde
De maatschappelijke waarde van kunst en cultuur heeft vele verschillende gedaantes. Zij speelt een rol in cultuureducatie binnen en buiten het onderwijs, maar ook in theatervoorstellingen over maatschappelijke onderwerpen – om slechts twee uiteenlopende voorbeelden te noemen. Daarnaast heeft het bestaan van kunst en cultuur op zichzelf al grote maatschappelijke betekenis. Zonder artistieke uitingen wordt het leven saaier en de samenleving armer.
Intrinsieke en maatschappelijke waarde sluiten elkaar daarbij niet uit; integendeel. Zonder een vorm van intrinsieke waarde kan maatschappelijke waarde moeilijk ontstaan. Tegelijk betekent een hoge intrinsieke waarde niet automatisch dat ook de maatschappelijke waarde hoog is, net zomin als een lagere intrinsieke waarde per definitie tot een lagere maatschappelijke waarde leidt.
Vooral interessant is de waarde die ontstaat wanneer kunstenaars en creatieven hun werk verbinden met andere maatschappelijke domeinen, zoals zorg, welzijn, veiligheid en duurzaamheid. Daar houden zij zich bezig met grote vraagstukken als tweedeling, de toekomst van het platteland, huisvesting, kwaliteit van bestaan en armoede. Dat gebeurt bijvoorbeeld in projecten met boeren, wijkbewoners, bewoners van zorginstellingen, gedetineerden of mensen met schulden.
Wel erkenning, nog geen volwaardige plek
In het landelijke cultuurbeleid is nog weinig structurele verbinding met dit werk van professionele kunstenaars, en evenmin met de groepen en vaak kleine instellingen van waaruit dit plaatsvindt. Tegelijk zijn er wel initiatieven waarop kan worden voortgebouwd: via het Fonds Cultuurparticipatie gebeurt dit met de regeling Samen Cultuurmaken, gericht op samenwerking tussen cultuur en welzijn; via KunstLoc in Brabant vinden veel projecten plaats in de sociale en fysieke omgeving met kunstenaars en ontwerpers; en samen met onder meer Cultuur Oost is het netwerk Kunst en zorg opgericht. Vooral in de zorg gebeurt inmiddels steeds meer. Op lokaal niveau ontstaan relaties tussen kunst en andere domeinen vaker, zeker wanneer gemeenten daarin een actieve rol spelen en ook intern afstemming zoeken tussen hun eigen afdelingen.
Tegen die achtergrond is de aandacht in De Kracht van Creativiteit een belangrijke ontwikkeling. Tegelijkertijd valt op dat het nieuwe programma vooral draait om ontwerp en ontwerpend onderzoek; kunstenaars lijken er nauwelijks in voor te komen. Het programma is voortgekomen uit een succesvolle lobby van de creatieve industrie. Een vergelijkbare lobby rond maatschappelijk actieve kunstenaars heeft de culturele sector vooralsnog niet ontwikkeld. Kunsten92 heeft in haar toekomstvisie Kunsten2030 als interventie 1.4 wel de kracht van kunst en design bij de aanpak van maatschappelijke vraagstukken benoemd, maar ook daar gaat het vooral over de creatieve industrie. Het is daarom belangrijk dat ook kunstenaars actief deelnemen aan de bijeenkomsten van het programma Onderzoekend Ontwerpen, dat input levert voor de verdere ontwikkeling van deze aanpak. Zo kan een grotere verscheidenheid aan artistieke praktijken worden ingebracht.
Tussen wal en schip
Een programma-aanpak is goed en noodzakelijk, maar laat het bestaande cultuurbeleid grotendeels ongemoeid. Kunstenaars geven al jaren aan dat zij moeilijk toegang krijgen tot de overheidsfondsen en tussen wal en schip vallen omdat hun werk niet past binnen de financieringscategorieën van andere domeinen. Daardoor komen zij vaak niet verder dan losse, moeizaam gefinancierde projecten, mede mogelijk gemaakt door private fondsen als VSB, Stichting DOEN en andere financiers.
Een belangrijk struikelblok lijkt het criterium artistieke kwaliteit of artistieke excellentie. Dat wordt nogal traditioneel en beperkt opgevat. Het helpt niet wanneer beoordelingscommissies voornamelijk bestaan uit mensen uit dezelfde traditionele artistieke kringen. Ook bij een meer diverse samenstelling blijkt het lastig om het begrip artistieke kwaliteit te nuanceren en te verbinden met andere cultuuropvattingen.
Artistieke kwaliteit als ‘koningscriterium’
Interessant in dit verband is het onderzoek van Pieter Bots naar cultuurbeleid en de invulling van het begrip artistieke kwaliteit. Zie zijn bijdrage in Boekman 126 uit 2021, waarin hij artistieke kwaliteit het ‘koningscriterium’ noemt. Hij pleit voor een verbreding ervan, waardoor ook uitbreiding van de traditionele canon mogelijk wordt.
Bij de bepaling van artistieke kwaliteit onderscheidt Bots vier perspectieven:
- de waarde van het maken
- de waarde voor de ontvanger of toeschouwer
- de waarde voor deskundigen en de kunstwereld
- de waarde voor de maatschappij.
Deze vier perspectieven vormen samen artistieke kwaliteit. Bij de waarde van het maken zou ruimte moeten zijn voor makers met een artistieke visie die afwijkt van de huidige canon. Bij de waarde voor de toeschouwer gaat het ook om de beleving van andere publieksgroepen dan de bestaande. Bij de waarde voor de kunstwereld zijn inclusie van andere contexten en interdisciplinair werk van belang. Ook het maatschappelijke perspectief verdient verbreding.
Ruimte maken voor andere kunstpraktijken
In de huidige beoordelingspraktijk en in tal van regelingen hebben de eerste drie perspectieven in enge zin vaak de overhand, terwijl de waarde voor de maatschappij erbij bungelt en impliciet blijft. Een gevolg daarvan is dat maatschappelijke kunstpraktijken buiten de boot vallen. Door deze vier perspectieven expliciet te benoemen in beleid en regelingen, ze breder te interpreteren en keuzes te maken in het gewicht dat aan elk afzonderlijk perspectief wordt toegekend, kan ruimte ontstaan voor meer vormen van kunst, ook voor kunstvormen die nu onvoldoende worden erkend. Vervolgens kan een inhoudelijke discussie worden gevoerd over het gewicht van de verschillende perspectieven en over de vraag welk perspectief in een specifieke situatie het zwaarst moet wegen.
Bij de ontwikkeling van toekomstig cultuurbeleid is daarom een stevige inhoudelijke discussie nodig over het criterium artistieke kwaliteit. Die discussie moet vooral worden gevoerd met de kunstenaars en instellingen om wie het hier gaat en die binnen het huidige cultuurbeleid onvoldoende aan bod komen.

